Illustratie van een trans-Neptunisch object: NASA, ESA en Leah Hustak (STScI). Beeldbron · informatief hergebruik volgens de NASA Media Usage Guidelines.
Voorbij Neptunus cirkelen ontelbare kleine ijswerelden die bijna onveranderd zijn gebleven sinds de jeugd van ons zonnestelsel. Op 8 september 2026 meldde NASA dat Hubble en Webb samen 27 nieuwe, zeer zwakke trans-Neptunische objecten hebben gevonden. De kleinste is naar schatting slechts ongeveer vijf kilometer groot. Juist zulke kleine objecten bewaren verrassend veel informatie over de manier waarop planeten ooit begonnen te ontstaan.
Wat zijn trans-Neptunische objecten?
Trans-Neptunische objecten, meestal afgekort tot TNO’s, bewegen buiten de baan van Neptunus rond de zon. Pluto is het bekendste voorbeeld, maar de meeste TNO’s zijn veel kleiner. Het zijn ijzige resten van de schijf van stof en brokstukken waaruit ruim 4,5 miljard jaar geleden de planeten ontstonden.
In het binnenste deel van het zonnestelsel botsten zulke bouwstenen tegen elkaar en groeiden ze uit tot planeten. Ver voorbij Neptunus verliep dat proces veel minder ver. Daardoor vormen TNO’s een soort diepvriesarchief van de vroege planeetvorming.
Twee telescopen, twee soorten licht
De onderzoekers bekeken hetzelfde kleine hemelgebied tegelijk met Hubble en Webb. Hubble mat zichtbaar licht; Webb mat infrarood licht. Uit die combinatie konden zij de kleuren, geschatte afmetingen en banen van de objecten afleiden. Kleur is hier meer dan uiterlijk: ze geeft aanwijzingen over de chemische samenstelling van het oppervlak.
Het team onderscheidde twee groepen. ‘Koude’ TNO’s volgen relatief rustige, bijna cirkelvormige banen in het vlak van het zonnestelsel. ‘Hete’ TNO’s hebben langgerekte, schuine banen. Waarschijnlijk ontstonden die laatste dichter bij Uranus en Neptunus en werden ze naar buiten geslingerd toen de reuzenplaneten in de jonge geschiedenis van het zonnestelsel van plaats veranderden.
Een onverwacht geheugen
Astronomen verwachtten dat kleine TNO’s vaker zouden zijn opgebroken door botsingen. Hun oppervlakken zouden daardoor andere kleuren kunnen hebben dan die van grotere objecten. Maar de nieuwe metingen laten juist zien dat kleine en grote familieleden dezelfde kleurverbanden volgen.
Dat wijst erop dat hun oppervlakken de oorspronkelijke samenstelling nog grotendeels bewaren. Zelfs de dynamisch ‘hete’ groep lijkt dus nog kenmerken te dragen van de plaats waar zij miljarden jaren geleden ontstond. De onderzoekers spreken beeldend over objecten die hun verleden ‘onthouden’.
Minder kleine objecten dan verwacht
Webb vond bovendien minder zeer kleine TNO’s dan sommige modellen voorspelden. Dat kan betekenen dat er in dit verre deel van het zonnestelsel minder botsingen hebben plaatsgevonden dan gedacht, of dat het proces waarmee planetesimalen ontstonden een andere verdeling van afmetingen opleverde.
De ontdekking geeft nog geen definitief antwoord. De twee onderzoeksteams analyseerden een beperkt hemelgebied en 27 nieuwe objecten. Wel is dit volgens NASA de diepste zoektocht naar TNO’s tot nu toe. De resultaten zijn gepubliceerd in twee artikelen in The Astronomical Journal.
Waarom dit belangrijk is
We kunnen de geboorte van de aarde niet terugspoelen. Maar de kleine werelden voorbij Neptunus zijn resten uit die beginfase. Door hun kleuren en afmetingen te vergelijken, testen astronomen modellen van planeetvorming en van de migratie van de reuzenplaneten.
De kracht van dit onderzoek zit ook in de samenwerking tussen telescopen. Hubble en Webb zien verschillende delen van het spectrum. Samen halen ze informatie uit lichtpuntjes die vanaf de aarde meer dan honderd miljoen keer zwakker zijn dan wat het blote oog kan zien.
